Paus Franciscus op vrijdag 27 maart (deel 1)

Tijdens een nooit eerder geziene ‘plechtigheid’ voor een leeg Sint-Pietersplein hield Paus Franciscus op vrijdag 27 maart jl. een zeer aangrijpende bezinning naar aanleiding van de coronacrisis die we allemaal meemaken. Het grote kruis (uit de San Marcello al Corso kerk) dat tijdens de pestepidemie van 1522 door de stad Rome was gedragen en ook de Maria-icoon (uit de Santa Maria Maggiore basiliek), de zgn. Icoon van de het heil en de genezing van het Romeinse volk, waren naar het Sint-Pietersplein gebracht en daar opgesteld. Paus Franciscus ging door de regen zowel het kruis als de icoon vereren en verbleef er enkele minuten in stil gebed.

Eerst had men het evangelie van de storm op het meer voorgedragen. Daarna gaf de paus zijn bezinning, en besloot hij de plechtigheid met de zegen over de stad en over de hele wereld (Urbi et Orbi). We geven hier het eerste deel van zijn bezinning:

Toen het avond was (Mc 4.35). Zo begint het Evangelie van de storm op het meer. Al weken is het avond. Dichte duisternis heeft onze pleinen, straten en steden bedekt. De donkerte heeft beslag gelegd op ons leven. Een oorverdovende stilte, een desolate leegte vult alles, en waar deze langskomt, veroorzaakt zij verlamming. Je kunt het voelen in de lucht, je merkt het in de gebaren van mensen, hun blikken verraden het. We voelen ons bang en verloren. Net als de leerlingen in het Evangelie werden we opgeschrikt door een onverwachte en razende storm. We werden ons bewust dat we in hetzelfde schuitje zitten, allen broos en in de war, maar tegelijk allen belangrijk en nodig, allen geroepen om samen te roeien, allen met dezelfde nood aan troost. In deze boot ... zitten we allemaal. Zoals de leerlingen éénstemmig maar angstig schreeuwden: Wij vergaan (v. 38), zo hebben ook wij ons gerealiseerd dat wij niet ieder apart kunnen verder gaan, maar alleen samen.

We kunnen ons gemakkelijk in dit evangelie herkennen. Wat moeilijker te begrijpen is, is Jezus’ houding. Terwijl de leerlingen uiteraard verontrust en wanhopig zijn, bevindt Jezus zich op de achtersteven, op het gedeelte van de boot dat als eerste onder gaat. En wat doet Hij? Ondanks de ontreddering slaapt Hij vredig, vertrouwend op de Vader - het is de enige keer in het Evangelie dat we Jezus zien slapen. Wanneer Hij dan gewekt wordt, en nadat Hij eerst de wind en het water tot bedaren heeft gebracht, wendt Hij zich op verwijtende toon tot de leerlingen: Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit? (v. 40).

Laten we trachten dit te begrijpen. Waarin bestaat het gebrek aan geloof van de leerlingen dat in contrast staat met het vertrouwen van Jezus? Zij waren eigenlijk niet opgehouden in Hem te geloven, want ze aanriepen Hem. Maar laten we eens kijken ‘hoe’ ze Hem aanriepen: Meester, raakt het U niet dat wij vergaan? (v. 38). Raakt het U niet: ze denken dat Jezus geen belangstelling voor hen heeft, dat Hij niet om hen bezorgd is. Onder ons mensen, in onze families, is het één van de dingen die het meest pijn doen, dat iemand tot ons zegt: Geef je niet om mij? Het is een zin die kwetst en in ons hart stormen ontketent. Die zin moet ook Jezus geschokt hebben. Want niemand geeft meer om ons dan Hij. En effectief, als zijn leerlingen Jezus aanroepen hebben, redt Hij hen ook van hun ontmoediging. (wordt indien mogelijk vervolgd)