Paus Franciscus op vrijdag 27 maart (deel 3)

Maria, ster van de stormachtige zee

Twee weken na elkaar gaven we in ons parochieblad één deel weer van de bezinning van paus Franciscus over de coronacrisis. Nu publiceren wij het laatste deel, samen met een foto van de Maria-icoon die op 27 maart op het lege Sint-Pietersplein door de paus werd vereerd. De Icoon hangt normaal in de Santa Maria Maggiore basiliek en heeft de naam gekregen ‘Salus Populi Romani’ (‘Maria, heil van het Romeinse Volk). Deze Byzantijnse Maria-icoon was onder Paus Gregorius de Grote in 590 naar Rome gekomen. De icoon werd al in zijn pontificaat door de stad Rome gedragen om Maria’s bescherming van de romeinen tegen een ziekte af te smeken. Paus Gregorius XVI  op zijn beurt vereerde in 1837 de Maria-icoon om het einde van de cholera epidemie te bekomen.

Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit? (v. 40) Het begin van geloven is: weten dat we redding nodig hebben. Alleen kunnen we voor onszelf niet in alles voorzien. Alleen zinken we weg. We hebben de Heer nodig zoals de oude zeelieden de sterren. Laten we Jezus in onze levensboten uitnodigen. Laten we hem onze angsten toevertrouwen, zodat Hij ze kan overwinnen. Net als de leerlingen zullen we ervaren dat we met Hem aan boord geen schipbreuk zullen lijden. Want hiertoe is Gods kracht in staat: dat zij alles wat ons overkomt, zelfs slechte dingen, ten goede kan keren. Zijn kracht brengt rust in onze stormen, want bij God sterft het leven nooit.

De Heer daagt ons daarbij uit om, te midden van onze storm, solidariteit en hoop op te wekken en te activeren. Hoop en solidariteit geven vastheid, steun en zin aan tijden wanneer alles schipbreuk lijkt te lijden. De Heer nodigt ons ook uit om ons paasgeloof aan te wakkeren en te doen herleven. Op ons schip in de storm  hebben we immers een anker: door zijn kruis zijn we gered. We hebben een roer: door zijn kruis zijn we vrijgekocht. We hebben hoop: door zijn kruis zijn we genezen en omarmd, zodat niets of niemand ons kan scheiden van zijn verlossende liefde. Te midden van het isolement waarin we lijden onder het gebrek aan genegenheid en ontmoetingen, waarbij we het gebrek aan veel dingen ervaren, horen we opnieuw de boodschap die ons redt: Hij is verrezen en leeft met ons.

De Heer roept ons vanaf zijn kruis op om het leven dat op ons afkomt onder ogen te zien, om te kijken naar hen die een beroep op ons doen, om de genade die in ons leeft te erkennen, aan te porren en te versterken.  Laten we de kwijnende maar altijd brandende vlaspit niet doven (cf. Is 42,3), en er alles aan doen dat zij onze hoop aanwakkert.

Zijn kruis omarmen betekent de moed vinden om alle tegenslagen van de huidige tijd te aanvaarden en daarom even afstand te doen van onze zucht naar macht en bezit, om zo ruimte te geven aan de creativiteit die alleen de Geest kan opwekken. Jezus’ kruis omarmen is ook de moed vinden om ruimte te scheppen waarin iedereen zich geroepen kan voelen om nieuwe vormen van gastvrijheid, broederschap en solidariteit mogelijk te maken. Door zijn kruis zijn we gered om de hoop te verwelkomen en haar alle mogelijke maatregelen en kansen te geven om ons allen te ondersteunen en onszelf te beschermen. De Heer omarmen om de hoop te omarmen: dat is de kracht van het geloof die ons bevrijdt van angst en ons hoopvol maakt. 

Beste broeders en zusters, vanop deze plaats, die het rots-geloof van Petrus uitbeeldt, wil ik jullie allen aan de Heer toevertrouwen, op voorspraak van Onze-Lieve-Vrouw, heil van het volk, ster van de stormachtige zee. Vanuit deze zuilengang die Rome en de wereld omarmt, daalt op jullie neer, als een troostende omhelzing, Gods zegen. Heer, zegen de wereld, geef gezondheid aan het lichaam en troost aan het hart.

Gij vraagt ons niet bang te zijn. Maar ons geloof is zwak en we zijn toch bang. Daarom Heer, laat ons niet achter in de storm. Zeg het ons nog een keer: "Wees niet bevreesd" (Mt 28:5). En wij, samen met Petrus, schuiven al onze zorgen op U af, want Gij hebt zorg voor ons (1Petr. 5,7).